“Lift up your hands!”

“Lift up your hands!”

80 jaar Youth for Christ Nederland

1946: hoe onstuimig het in Nederland begon

Youth for Christ bestaat tachtig jaar! We gaan terug in de tijd en beleven de start van ons missionaire jongerenwerk opnieuw aan de hand van het persoonlijke verhaal van Jan van Capelleveen. Hij was een twintiger toen evangelisten van Youth for Christ, een Amerikaanse missionaire beweging, in 1946 voet aan wal zetten in Nederland.

“Lift up your hands.” “Steek uw hand op.”
De woorden van de kleine Nederlandse tolk met zijn priemende ogen volgden die van de forse Amerikaanse predikant als een echo.
“Yes, I see your hand.” “Ja, ik zie uw hand.”
“If you want to accept Christ, just show it by lifting up your hand.” “Als je Christus wilt aannemen als je Heiland, laat dat dan zien door je hand op te steken.”
“Many hands go up.” “Er worden veel handen opgestoken.”
Even richtte ik mijn gebogen hoofd op en keek om me heen. Overal zag ik opgestoken handen in die grote, volle zaal van Musis Sacrum. Alle hoofden om me heen waren gebogen. Slechts een enkeling keek, als ik, om zich heen.
Maar toen won de ernst van het ogenblik het weer van mijn nieuwsgierigheid. Sprak die man ook tot mij? Moest ook ik mijn hand opsteken? Wat betekende Jezus Christus voor mij persoonlijk?

Persoonlijke Heiland

Ineens besefte ik dat die oproep helemaal niet voor mij bestemd was. Omdat wat hij vroeg door mij reeds eerder gedaan was. Een jaar geleden in de stilte van mijn eigen slaapkamer. Ik hoorde niet meer wat op dat grote podium, waar anders het Arnhems Symfonieorkest musiceerde, werd gezegd. Er kwam een vraag vanuit mijzelf naar boven: Als je dan Christus als je persoonlijke Heiland hebt aangenomen, wat heb je dan voor Hem gedaan? Het drong tot me door dat het niet voldoende was om een christen te zijn. Dat van een christen verwacht werd dat hij zich voor zijn Heer inzet.
Het angstige, wat benauwende van dat vreemde moment in die grote zaal viel van me af. Ik begreep dat er iets gebeurde dat niet in de eerste plaats met mijzelf te maken had. Dat anderen voor de keus gesteld werden, anderen die tot nu toe al maar langs Jezus Christus hadden heengeleefd, of zich niet om Hem hadden bekommerd, of nooit iets van Hem hadden gehoord. Tegelijkertijd besefte ik dat ik er toch wel degelijk iets mee had te maken. Dat ik op mijn manier mensen moest helpen om Christus te leren kennen.

Brief uit Amerika

Het was allemaal begonnen met die langwerpige brief uit Amerika. Moeder had hem opgeraapt van de gangmat en blij uitgeroepen tot mijn vader: “Hé, een brief van Chris uit Grand Rapids.” Ze was ermee binnengekomen en had hem meteen opengescheurd.“Komt oom Chris weer naar Holland?” vroeg ik mijn moeder die de brief las. “Nee, dat schrijft hij niet,” antwoordde ze, terwijl ze de brief aan mijn vader overhandigde. “Oom Chris vertelt dat vrienden van hem naar Nederland komen en hij vraagt ons met hen kennis te maken. Ze komen samenkomsten houden. ’t Is iets van de kerk geloof ik,” voegde ze er aan toe.

Kritiek van de kerken

Al spoedig werd duidelijk dat als het iets van de kerk was, het iets van de Amerikaanse kerken was. Dat de Nederlandse kerken er nauwelijks iets van afwisten en er in heel veel gevallen ook niets mee te maken wilden hebben.
In hun kerkbladen bekritiseerden de predikanten de nieuwe beweging die zich onder de naam Youth for Christ aandiende. Dat deden in ieder geval de dominees op de Veluwe, waar zwart nog steeds overheerste als de kleur van de vroomheid. Dat deden ook andere voorgangers elders in het land wier vroomheid zich op heel andere wijze uitte. Youth for Christ was methodisch. Youth for Christ haalde het Evangelie omlaag met wereldse muziek. Youth for Christ met zijn persoonlijke oproep tot bekering was psychologisch niet verantwoord. Youth for Christ werkte alleen maar op het sentiment.
Wie door de kerkbladen van 1946 bladert merkt dat het zwaarste geschut in stelling werd gebracht om deze nieuwe beweging die uit Amerika kwam overwaaien te beschieten. Door de officiële kerken werd YfC bepaald niet met open armen ontvangen.

‘Youth for Christ met zijn persoonlijke oproep tot bekering was psychologisch niet verantwoord. Youth for Christ werkte alleen maar op het sentiment'

Evangelie van de jazz

Maar de Nederlandse jeugd liet zich door de kritische stemming van de theologen niet weerhouden. In lange rijen stonden tieners en twenners zich al uren voor de deuren van de zalen openingen te verdringen om een plaatsje te veroveren. In Den Haag, waar het Amerikaanse team zou optreden in de oude Dierentuinzaal – al jaren geleden met de grond gelijk gemaakt – bezweken de zware ijzeren hekken onder de enorme druk van de wachtende menigte. Tientallen jongeren werden gewond. Waar het team ook kwam, de zaal was te klein. Overal moesten mensen worden teruggestuurd. Zó groot was de belangstelling voor godsdienstige bijeenkomsten van zo’n vrij karakter nog nooit geweest.
De kranten publiceerden opgewonden verslagen. “Evangelie van de jazz”, schreeuwde een kop. “Geloof met een glimlach”, toeterde een andere. Hoewel de kranten in die dagen nog maar betrekkelijk dun waren, meestal niet meer dan acht pagina’s – de tekorten van na de oorlog deden zich immers nog steeds sterk voelen – wijdden ze vaak vele kolommen aan de bijeenkomsten. De meeste verslagen waren wat afstandelijk geschreven, kritisch, met meer oog voor het uiterlijk, het sensationele, dan voor de boodschap die door de Amerikaanse predikant, ds. Spencer de Jong, werd verkondigd en door de tolk Sidney Wilson – ondanks zijn naam een volbloed Nederlander, zij het van Schotse afkomst – werd vertaald.

Het nieuwe

Er was veel in de nieuwe beweging dat vreemd overkwam. Nog altijd werd het geloof in Nederland geïdentificeerd met gedragen psalmen, meestal nog op hele noten gezongen. Met predikanten in stijlvolle toga’s die preekten in koele kerken vol gedempt licht. Hier kwamen Amerikanen met lichte pakken. Met fel gekleurde dassen. Ze preekten in theaters of stonden op concertpodia. Het meeslepende orgel was vervangen door een piano waarop snelle vingers heen en weer ratelden. Psalmen werden er in de bijeenkomsten nauwelijks gezongen, meer liederen in driekwartsmaat.
Tijdens de samenkomsten werd zomaar een nieuw lied ingestudeerd door een zangleider die wild zwaaide met zijn armen en de mensen aanmoedigde om luider en luider te zingen. Zo’n lied werd een ‘koor’ genoemd, een nieuw, vreemd woord dat helemaal geen betrekking had op een zangkoor, maar dat een naam was voor het korte liedje, ‘Jesus Christ is the Way, Jesus Christ is the Truth, Jesus Christ is the Life and He is mine, mine, mine,’ dat weldra door de zalen schalde.

The altar call

Maar het allervreemdste was toch die ‘uitnodiging’ aan het eind van de toespraak, preek kon je eigenlijk niet zeggen. Ds. De Jong noemde het ‘the altar call’, maar er was helemaal geen altaar in die grote, wereldse ruimten waar de bijeenkomsten gehouden werden. Mensen werd gevraagd zomaar hun vingers op te steken, als ze Christus als hun persoonlijke Heiland wilden aanvaarden. Er werd zachte muziek gespeeld. De zanger Don DeVos zong fluwerig: “Into my heart, into my heart, come into my heart, Lord Jesus.”
Dan werd de mensen gevraagd naar voren te komen. Er werd met hen gepraat en gebeden. Kon dat allemaal zomaar? Was dat geen werken op het gemoed? Reageerden niet velen als in een droom? Kon dit wel iets blijvends zijn?

Zondaarsbank

Nauwelijks was een samenkomst ergens gehouden en het team weer doorgereisd naar een volgende stad of juist over dit onderdeel werd gesproken en geschreven. Op jeugdverenigingen, in de huiskamers na een kerkdienst, in de ingezonden-stukken-rubrieken van dagbladen, in de kolommen van kerkbladen, in geïllustreerde weekbladen. Steeds brak het verzet tegen dit onderdeel van de bijeenkomst weer baan. Ook jaren later nog, toen het Amerikaanse team al lang weer naar Grand Rapids was teruggekeerd, toen Youth for Christ in Nederland al lang een eigen Hollandse jas had aangetrokken. Zoiets was toch niet verantwoord? Zoiets liet je toch over aan het Leger des Heils. Daar had je immers een zondaarsbank omdat er echte zondaars kwamen. Mensen die dronken, die ruzie maakten, die stalen, die soms moordden.

Pro-Amerikaans

Misschien was het toch juist dat vreemde, dat mysterieuze dat de duizenden in beweging bracht en de zalen deed vollopen. Er werd zoveel over gepraat, het werd door predikanten zo sterk afgekeurd dat velen het wel eens met eigen ogen wilden meemaken.
En het feit dat hier Amerikanen het Evangelie kwamen prediken trok natuurlijk. Er heerste in ons land een sterk pro-Amerikaanse stemming. De Amerikanen hadden ons bevrijd. Ze hadden ons Marshallhulp toegezegd. Amerika was het land van de wonderen. Het land van de rijkdom. Het land waar alles mogelijk was. Het land dat geen traditie kende, ook niet op godsdienstig gebied. Velen wilden wel eens meemaken hoe deze mensen een godsdienstige samenkomst leidden.

‘Iemand moest toch de familie vertegenwoordigen, al was het alleen maar om naar Amerika te kunnen schrijven dat wij er waren geweest’

Enthousiast

Toen de brief van oom Chris kwam, moest het team nog in Nederland aankomen. In de kranten was nog niets over hun komst vermeld. De brief werd op de schoorsteenmantel neergezet om te zijner tijd beantwoord te worden. Hij zou er misschien bij zijn blijven staan als we niet die middag bezoek hadden gekregen.
Een oude vriend van ons gezin kwam theedrinken. Hij was tevens de alleroudste vriend van oom Chris. Samen met hem was hij al voor de Eerste Wereldoorlog naar Amerika geëmigreerd, maar deze man was later teruggekomen. Ook hij had een brief uit Grand Rapids ontvangen. Hij wist al alles van de komst van het Amerikaanse Youth for Christ team. Hij kon vertellen dat de kerken van die stad geld bijeengebracht hadden om het team een paar weken naar Nederland uit te zenden. Hij wist ook dat Youth for Christ een beweging was die in de oorlog was ontstaan en zich over het hele land had verspreid. Het was geen nieuwe kerk, maar werkte naar de kerken toe, het ging er om jonge mensen met het Evangelie in aanraking te brengen.
Hoewel hij zelf al lang niet meer tot de jongeren behoorde, was hij vreselijk enthousiast. Hij had uit eigen zak al een vrachtauto gehuurd om iedereen die mee wilde naar Arnhem gratis te vervoeren. Ik kon er niet onderuit. Iemand moest toch de familie vertegenwoordigen, al was het alleen maar om naar Amerika te kunnen schrijven dat wij er waren geweest.

Dat laatste moment

Trouwens, ik wilde dat echt wel meemaken. Ik wilde best wel eens zien hoe die Amerikanen zoiets deden. En zo klom ik enkele weken later op een oude met zeildoek overspannen vrachtwagen. Er stonden houten banken in. Een paar mensen begonnen te zingen, liederen die ik nog nooit gehoord had, maar die goed in het gehoor lagen, met refreinen die tot in de treure werden herhaald. En in de zaal Musis Sacrum waren al twee rijen voor ons gereserveerd. Terwijl anderen zich voor de voordeuren verdrongen, kwamen wij zonder moeite door een zijdeur binnen.

Veel herinner ik me niet meer van die avond. Ik weet wel dat er een blije sfeer hing, dat er enthousiast werd meegezongen onder leiding van de zangleider en zanger Don DeVos. Ik weet niet meer waar ds. De Jong over heeft gepreekt. Het was simpel. Op de man af. Maar niet iets om lang te onthouden.
Alleen dat laatste moment staat nog in mijn herinnering gegrift. Mijn innerlijke strijd, het besef dat doorbrak dat als Jezus Christus zoveel voor ons heeft gedaan, ik ook wel eens iets voor Hem mocht doen. Maar ik besefte nog niet dat ik zelf zou worden opgenomen in deze nieuwe beweging.

Foto links: Jan J. van Capelleveen, archief Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Jan van Capelleveen (1926-1997) was van 1951 – 1958 staflid van Youth for Christ Nederland. Daarna werd hij persvoorlichter bij het Nederlands Bijbelgenootschap. Hij schreef diverse boeken en artikelen en was een bekende evangelist/journalist binnen protestants Nederland.

Dit verhaal is in 1977 gepubliceerd in het boekje The Story van Youth for Christ (Jan van Capelleveen, Hans Eschbach, Piet Halma, Sipke van der Land en Jaap Zijlstra, uitgeverij Kok-Kampen, tegenwoordig Kok Boekencentrum). Wij nemen dit verhaal over met toestemming van de uitgever.